Kansen en uitdagingen voor bouwbedrijven op de aanbestedingsmarkt in België

Facebook

De bouwsector ondergaat in de lage landen een ingrijpende transformatie wat sinds 2021 resulteerde in omzetcijfers die weinig aanleiding gaven tot euforie of feestgedruis. Een dalende marktvraag, krimpende marges en het toenemende aantal faillissementen deden de sector integendeel naar adem happen. Na vier slechte jaren, met een pijnlijk dieptepunt in 2024, is eindelijk beterschap in zicht. En daar zitten de gigantische maatschappelijke uitdagingen voor veel tussen. De klimaatverandering, de wereldwijde shift naar groene energie, de vergrijzing van de bevolking en de uitvoering van de Vlaamse bouwshift, liggen aan de basis van noodzakelijke investeringen en de gefundeerde hoop op een omhoog knikkende groeicurve.

Hoewel de bouwsector traditioneel als een motor van de economie wordt gezien, is die positie de afgelopen jaren steeds meer onder druk komen te staan. Wat begon als een naschok van de coronapandemie is uitgegroeid tot een structurele crisis, met impact op werkgelegenheid, investeringsbereidheid en toekomstperspectieven. De crisis is meer dan een conjuncturele terugval: ze weerspiegelt een sector in transitie. Duurzaamheidseisen, digitalisering, krapte op de arbeidsmarkt en vergrijzing dwingen bouwbedrijven tot fundamentele aanpassingen. Toch is het belangrijk om nuance aan te brengen: niet alle segmenten zijn in gelijke mate getroffen.

Een terugblik naar 2024

De grootste klappen vielen in de woningnieuwbouw. Door de stijgende rente en strengere kredietvoorwaarden is het voor veel gezinnen moeilijker geworden om een lening te krijgen. Tegelijk zijn bouwkosten sterk gestegen door de schaarste aan materialen, gestegen loonkosten en inflatie. In Vlaanderen daalde het aantal bouwvergunningen voor eengezinswoningen met ruim 30% tussen 2021 en 2024. Het aantal effectieve residentiële nieuwbouwwerven daalde het jongste jaar met 6,8%. Ook projectontwikkelaars stellen investeringen uit of herzien hun plannen, uit vrees voor een overaanbod in een vertragende markt. Vooral de bouw van eengezinswoningen kreeg klappen, terwijl de appartementenmarkt iets stabieler bleef.

Tegelijkertijd groeide de renovatiemarkt met 10,2%, gestuwd door de wettelijk verplichte renovaties bij aankoop van energieverslindende woningen (EPC-label E of slechter) en de aantrekkelijke overheidsmaatregelen die de burger hier financieel in moesten ondersteunen. Toch werden ook hier de knelpunten duidelijker zichtbaar. De stijgende kostprijs van werken, lange wachttijden en een tekort aan gespecialiseerde vakmensen zorgen voor frustratie bij zowel klanten als aannemers. Bovendien wegen de administratieve lasten en onzekerheid over regelgeving op de kleine aannemers.

De publieke sector vormt traditioneel een stabiliserende factor. Investeringen in spoor, waterveiligheid en mobiliteit zorgden voor een stijging van de civieltechnische bouwactiviteit met 4,1% sinds 2023. De deelsector kampt vandaag echter met haar eigen uitdagingen. Grote infrastructuurprojecten (zoals Oosterweel of openbaar vervoer) zorgen dan wel voor continuïteit bij grotere spelers, maar kleinere aannemers merken vaak nog te weinig van die investeringen. Lokale overheden kampen dan weer met stijgende kosten ten gevolge van onder meer de vergrijzing van de bevolking en met vertraagde procedures, waardoor geplande werken worden uitgesteld of herbekeken. De overheidsinvesteringen zijn er dus, maar de doorstroom naar de brede sector verloopt moeizaam.

We zagen het zwaartepunt in de sector de jongste tijd verschuiven van nieuwbouw naar renovatie en infrastructuur. Die beweging zal volgens de meeste prognoses de komende jaren gepaard gaan met een toename van de activiteit, zowel in de publieke als in de private sector. Sommigen denken daarbij aan een gemiddelde jaarlijkse groei van 2,6% tot 3,2% tussen 2025 en 2029. Er zijn inderdaad genoeg redenen om aan te nemen dat de langetermijnvooruitzichten gunstiger worden.

Socio-economische tendensen

Ons land bevindt zich op een kruispunt van structurele transities. Klimaatverandering, vergrijzing, urbanisatie, technologische innovatie en internationale onzekerheden maken de komende decennia bijzonder bepalend voor onze economische en maatschappelijke veerkracht. Drie domeinen springen daarbij in het oog: het energiezuinig maken van onze woningen, het garanderen van betaalbaar en kwalitatief wonen, en het herstellen én herdenken van onze infrastructuur.

Energierenovatie, een noodzakelijke, maar moeizame versnelling

België heeft een verouderd en energieverslindend woningbestand. Meer dan 80% van de gebouwen werd vóór 1980 gebouwd, vaak zonder degelijke isolatie. Dat vertaalt zich in hoge energiefacturen, kwetsbaarheid bij prijsschommelingen. Zowel Vlaanderen, Brussel als Wallonië hebben ambitieuze plannen om dit woningpark te verduurzamen, maar de uitvoering loopt trager dan nodig.

In Vlaanderen geldt sinds 2023 de renovatieverplichting: wie een woning koopt met EPC-label E of F, moet deze binnen vijf jaar opwerken tot label D of beter. Ook Brussel en Wallonië ontwikkelen stappenplannen richting 2050, met het oog op een klimaatneutrale gebouwensector. Deze verplichtingen moeten de vraag naar renovatie aanzwengelen, maar botsen op diverse obstakels. Grondige renovaties zijn niet vanzelfsprekend voor lage- of middeninkomens. Premies en energieleningen kunnen helpen, maar zijn vandaag vaak versnipperd en onvoldoende bekend. Een tweede knelpunt is de uitvoeringscapaciteit. De bouwsector kampt met een structureel tekort aan geschoolde arbeidskrachten. Dat geldt in het bijzonder voor gespecialiseerde toepassingen zoals warmtepompen, dakisolatie of ventilatie. Maar ook administratieve en technische drempels zetten een rem op het renovatie-enthousiasme. Eigenaars worden geconfronteerd met complexe procedures, aanslepende vergunningstrajecten of onduidelijkheid over normen.

Het maatschappelijke middenveld waarschuwt intussen ook voor het risico dat de energierenovatiegolf de ongelijkheid op de woonmarkt nog zal doen toenemen. Eigenaars met voldoende middelen zullen hun woning upgraden en zullen vervolgens kunnen genieten van lagere energiekosten en waardevermeerdering. Kwetsbare huurders of eigenaars zonder kapitaal daarentegen dreigen achter te blijven in slecht geïsoleerde woningen. Zonder extra sociale garanties — zoals renovatieplichten voor verhuurders, sociale renovatiepremies of huurregulering gekoppeld aan energiekwaliteit — dreigt het beleid daardoor zijn sociale draagvlak te verliezen.

Woningnood: krappe markt, hoge prijzen en ruimtelijke dilemma’s

De wooncrisis is geen nieuw fenomeen maar wordt sinds de renteverdubbeling in 2022-2023 steeds meer als versneller gezien voor andere maatschappelijke problemen. Een combinatie van stijgende bouwkosten, renteverhogingen, beperkte beschikbaarheid van terreinen en demografische groei zet de woonmarkt onder druk. Vooral jonge gezinnen, alleenstaanden en lagere inkomensgroepen ervaren moeilijkheden om nog betaalbaar te wonen.

In Vlaanderen staan meer dan 180.000 gezinnen op de wachtlijst voor een sociale woning. In Brussel is één op de vier huishoudens aangewezen op sociale huisvesting, terwijl slechts 8% van het woningaanbod effectief sociaal is. Tegelijk is het private huursegment bijzonder krap en vaak te duur. In steden als Antwerpen of Gent bedragen gemiddelde huurprijzen ruim boven de 900 euro per maand.

Tegelijk kiezen beleidsmakers in het licht van klimaatadaptatie, biodiversiteit en mobiliteit voor de zogeheten bouwshift: het beperken van bijkomend ruimtebeslag en het stimuleren van kernversterking. Eén derde van Vlaanderen is ingenomen door onder meer huisvesting, industriële en commerciële doeleinden, transportinfrastructuur en recreatieve doeleinden, terwijl het Europese gemiddelde van dergelijk ruimtebeslag slechts 5% bedraagt. Concreet betekent dit dat er minder mag worden gebouwd in open ruimte, en dat nieuwe woonprojecten vooral in steden of dorpskernen moeten worden gerealiseerd. Deze benadering is ecologisch verantwoord en noodzakelijk maar ze vergt, behalve een fundamentele hertekening van het woonmodel – van vrijstaande woning naar compacte, collectieve of verticale woonvormen – ook een bezinning over de urbanistische gevolgen. De grote uitdaging wordt om betaalbaar en kwalitatief te verdichten, met aandacht voor leefbaarheid, de sociale mix en de voorzieningen die daarvoor moeten zorgen. Dat vraagt om actieve grondpolitiek, gemeentelijke regie en een intensieve samenwerking met private en coöperatieve ontwikkelaars. Nieuwe woonvormen — zoals cohousing, erfpachtmodellen of gestuurde huurmarktontwikkeling — kunnen hierbij een rol in spelen.

De focus zal in de toekomst dus steeds meer liggen op de bouw van appartementen en groepswoningen binnen de kernen en de ontwikkeling van brownfields door projectontwikkelaars. In de industriële en logistieke bouw worden de groeikansen gedreven door e-commerce (opslagplaatsen), de herlokalisatie van productiesites en de noden van nieuwe, groene industrieën; zoals fabrieken voor batterijen, waterstofproductie en recyclage-installaties. Private bedrijven investeren ook in grootschalige projecten voor hernieuwbare energie en de bijbehorende infrastructuur op hun eigen terreinen.

Infrastructuurinvesteringen: herstel van het fundament

België heeft jarenlang te weinig geïnvesteerd in publieke infrastructuur. Zowel het wegennet als het spoor, de energie-infrastructuur, scholen en ziekenhuizen zijn op veel plaatsen verouderd of onvoldoende aangepast aan de uitdagingen van morgen. Volgens de Europese Investeringsbank behoort België tot de landen met het grootste infrastructuurtekort als percentage van het BBP.

Dat merk je onder meer door de dagelijkse files en de druk op het mobiliteitssysteem. In plaats van enkel te investeren in bijkomende weginfrastructuur, ligt de focus intussen steeds nadrukkelijker op duurzame mobiliteit. Lees: de uitbreiding en modernisering van het spoor, investeringen in tram- en busnetten, veilige fietsinfrastructuur en knooppuntontwikkeling.

De elektrificatie van de mobiliteit en de verwarming stelt nieuwe eisen aan het energienet. Hoogspanningsinfrastructuur moet worden uitgebreid, laadinfrastructuur uitgerold en opslagmogelijkheden ontwikkeld. Tegelijk vraagt klimaatadaptatie om investeringen in riool- en waterbeheer, dijken, groennetten en hittebestendige stadsinrichting. In veel gemeenten ontbreekt echter de technische capaciteit en financiële ruimte om hier strategisch op te anticiperen.

Ook op vlak van zorg en onderwijs hebben we een achterstand opgelopen. Scholen en zorginstellingen moeten niet alleen gerenoveerd worden, maar ook aangepast aan veranderende noden. De vergrijzing en de toenemende zorgvraag die daarmee gepaard gaat, vragen om aangepaste woon-zorginfrastructuur, terwijl digitalisering en pandemie-ervaringen nieuwe eisen stellen aan scholen en bij uitbreiding ook overheidsgebouwen. Hier liggen kansen voor publiek-private samenwerkingen, maar ook risico’s op fragmentatie en gebrek aan democratische controle.

Slimmere manieren van bouwen

Behalve de kansen die inherent verbonden zijn met de maatschappelijke uitdagingen op vlak van demografie, klimaat en milieu, is ook het grondig herdenken van bouwprocessen en werkwijzen in de sector een aanjager voor groei. De integratie van innovatieve technieken bieden de sector een enorme opportuniteit om de productiviteit, duurzaamheid, efficiëntie en de aantrekkelijkheid van de sector drastisch te verbeteren.

Digitalisering is hierbij een cruciale motor. De implementatie van Building Information Modeling (BIM) bijvoorbeeld stelt alle betrokken partijen in het bouwproces in staat om in een gedeeld digitaal model samen te werken. Dit vermindert fouten en miscommunicatie op de werf, het versnelt processen en optimaliseert planningen. Het is technologie die hand in hand gaat met een andere bouwtrend: werken in een bouwteam, waarbij zoveel mogelijk cruciale partners van in een zeer vroeg ontwerpstadium samenwerken. Naast de bouwheer en de architect zit meteen ook al een aannemer aan tafel, zodat een concept kan worden uitgewerkt dat meteen en zonder nutteloze omwegen en tijdverlies technisch en financieel haalbaar is. Daarnaast zorgen data-analyse, IoT-sensoren op werven en het gebruik van drones voor monitoring voor een efficiëntere opvolging en betere veiligheid en vereenvoudigen ‘digitale twins’ later het beheer en onderhoud van het gebouw.

De trend om steeds meer in te zetten op modulair bouwen en prefabricatie komt neer op het fysiek verplaatsen van significante delen van het bouwproces van de vaak onvoorspelbare werfomgeving naar gecontroleerde fabrieksomstandigheden. Dit leidt tot hogere en beter controleerbare kwaliteit, minder afval en minder overlast op de werf. Het versnelt vooral ook de realisatie van projecten en dat is essentieel gezien de noden op vlak van scholenbouw, zorgcentra of woningbouw. Bovendien maakt modulair bouwen het later demonteren eenvoudiger, wat het duurzaam hergebruik dan weer ten goede komt.

De hele evolutie dwingt de sector om anders te denken over materialengebruik en gebouwen als ‘materiaalbanken’ vol waardevolle onderdelen die circulair ingezet kunnen worden zodra de levenscyclus van een gebouw op zijn eind komt. Het betekent dat van in de designfase ingezet moet worden op ontwerpen voor een lange levensduur, aanpasbaarheid en demontage, met een maximale focus op het hergebruik en recyclage van materialen.

Tenslotte stimuleren innovatieve technieken een breed scala aan verbeteringen, zoals nieuwe, duurzamere of performantere materialen. Denk aan biogebaseerde isolatie of zelfhelend of CO2-armbeton, maar ook aan geavanceerde bouwmethoden zoals het 3D-printen van constructieve elementen of het inzetten van drones en robots voor repetitieve of gevaarlijke taken.

De grote investeringen en fondsen

Premies voor energierenovatie

Aangezien ongeveer 85% van de woningen in België momenteel niet voldoet aan de energie-eisen, kan het niet anders of de energetische renovatie- en isolatieprojecten moeten de komende jaren verviervoudigen om op koers te geraken. De verschillende beleidsniveaus in België erkennen de noodzaak om het verouderde woningenpark aan te pakken om klimaatdoelstellingen te bereiken, energiefacturen te verlagen en het comfort en de gezondheid van de inwoners te verbeteren. De regionale overheden hebben premiestelsels uitgewerkt die de noodzakelijke private investeringen moeten versnellen en financieel haalbaarder moeten maken voor een breed publiek.

Op federaal niveau wordt gewerkt aan maatregelen om de consument beter te beschermen in de bouwsector en wordt het Europese Green Deal-beleid ondersteund via renovatiestimulansen. Door de btw op renovatie op 6% te houden blijft renoveren fiscaal voordelig. De federale overheid voorziet ook een tijdelijke verlaging van het btw-tarief voor de levering en installatie van warmtepompen naar 6% om de energietransitie te ondersteunen.

In Vlaanderen is de ‘Mijn VerbouwPremie’ een centraal instrument dat verschillende vroegere premies bundelt voor zowel energetische renovaties. De hoogte van de premie hangt af van het inkomen van de aanvrager en het type werken.

Hoewel de oorspronkelijke verstrenging van de renovatieplicht naar label A tegen 2040 is versoepeld naar een D-label als streefdoel en de termijn verlengd is van 5 naar 6 jaar, blijft de renovatieplicht voor woningen met een slechte energieprestatie bij overdracht een belangrijke motor voor renovatieactiviteit op de private markt. Vanaf 2025 dalen de registratierechten voor de aankoop van een enige eigen woning van 3% naar 2%, wat de aankoop van renovatiewoningen kan aanmoedigen.

Ook in Wallonië dalen de registratierechten voor de aankoop van een renovatiewoning vanaf 2025 van 12,5% naar 3%. De energie- en renovatiepremies worden uitgekeerd op basis van de staat van de woning en voor een breed scala aan werken. Specifiek voor energieverbeteringen zijn er premies voor bijvoorbeeld de isolatie, de vervanging van buitenschrijnwerk, de installatie van efficiënte verwarmingssystemen, ventilatiesystemen en hernieuwbare energiebronnen.

Net als in Wallonië en Vlaanderen, dekken de premies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een breed scala aan werken die gericht zijn op het verbeteren van de energieprestaties en de woonkwaliteit. Er zijn bovendien specifieke stimuleringsmaatregelen bedacht voor mede-eigendommen, omdat de renovatie in appartementsgebouwen heel specifieke uitdagingen met zich meebrengt.

Relanceplannen en leningen voor nieuwbouw

Om het sociale woningpatrimonium te verruimen is de komende jaren in Vlaanderen voor 6 miljard euro aan leningen gepland. Het Waals Gewest heeft de voorbije jaren al aanzienlijke middelen vrijgemaakt voor het sociale woningpatrimonium, en deze inspanningen worden voortgezet. Recente investeringsplannen en middelen uit het Waalse relanceplan (mede gefinancierd door Europese middelen) leggen de projecten voor de komende jaren vast, met aanzienlijke investeringsvolumes.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft met het ambitieuze Alliance Habitat plan als doel om tegen 2030 het aanbod aan sociale en middenklassewoningen significant te verhogen, met duizenden bijkomende eenheden. De financiering van het Alliance Habitat-plan gebeurt via een combinatie van gewestelijke middelen, federale steun, en soms ook Europese fondsen of publiek-private samenwerking. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voorziet jaarlijks een aanzienlijk budget voor huisvesting. In recente begrotingen ging het om honderden miljoenen euro’s per jaar, waarvan een groot deel specifiek voor de realisatie van het Alliance Habitat-plan wordt gereserveerd. Openbare Vastgoedmaatschappijen kunnen onder voordelige voorwaarden lenen bij het Gewest of andere instellingen zoals BNP Paribas Fortis, Belfius, enz.

Ook de vergrijzing heeft een aanzienlijke impact op de bouwsector. Volgens prognoses zal het aantal 80-plussers tegen 2030 stijgen tot 638.000, tegenover 530.000 vandaag. Deze demografische verschuiving leidt tot een verhoogde vraag naar aangepaste woonvormen, zoals woonzorgcentra en assistentiewoningen. Regionale overheden ondersteunen ook de aanpassing van bestaande woningen om levenslang wonen mogelijk te maken. In Vlaanderen is er de Aanpassingspremie, met een budget van enkele miljoenen euro’s aan subsidies per jaar, die een veelvoud aan private investeringen moet activeren. Ook Wallonië en Brussel bieden vergelijkbare steun via hun algemene renovatiepremies, met initiatieven gericht op toegankelijkheid.

Europa investeert mee in mobiliteitsinfrastructuur

Er staan een hele reeks grote infrastructuurprojecten op de rails, gericht op duurzame mobiliteit, klimaatadaptatie en economische vernieuwing. Ze worden grotendeels gefinancierd via het federale Relanceplan en Europese steunprogramma’s zoals het Recovery and Resilience Facility (RRF), de Connecting Europe Facility (CEF) en leningen van de Europese Investeringsbank (EIB).

Heel wat aandacht gaat naar de verduurzaming van de spoorweginfrastructuur. Met onder meer elektrificatiewerken aan regionale spoorlijnen die moeten bijdragen aan een duurzamer treinverkeer. Voor deze werken is een budget van ongeveer 300 miljoen euro voorzien. Daarnaast wordt de Brusselse Noord-Zuidverbinding grondig aangepakt. De cruciale spooras krijgt een capaciteitstoename en modernisering van de seininrichting, met een geraamd budget van 500 tot 600 miljoen euro, ingepland tot 2032. Ook verschillende grote stations, waaronder Charleroi-Sud, Namen en Gent-Sint-Pieters, zullen verder worden vernieuwd. Deze werken, met een geschat resterend budget van 300 miljoen euro, moeten ze beter toegankelijk maken en de perroninfrastructuur moderniseren.

Op het wegennet is de Oosterweelverbinding in Antwerpen hét project dat ook de komende jaren heel wat aandacht opeist. Hoewel de werken al geruime tijd gestart zijn, moeten de ondertunneling van de Schelde, de nieuwe snelwegsegmenten en de overkapping van delen van de Antwerpse ring nog worden uitgevoerd. Dit megaproject heeft een totaalbudget van 4,5 miljard euro en wordt grotendeels Vlaams gefinancierd, met bijkomende Europese steun via de EIB. Ook op de Brusselse ring (R0) zijn er aan Vlaamse kant grootschalige projecten gepland, zoals de herinrichting en verbreding van bepaalde segmenten en de aanpak van complexe knooppunten. Agentschap Wegen en Verkeer voorziet jaarlijks een investeringsbudget van ongeveer 1,5 miljard euro voor infrastructuurwerken, een bedrag dat ook de komende jaren de basis vormt voor nieuwe projecten en de verderzetting van lopende werven op snelwegen en gewestwegen.

In Wallonië staat het Plan Infrastructures 2020–2026 centraal. Dit plan bundelt de vernieuwing van wegen, bruggen, tunnels en spoorwegaansluitingen met een voorziene investering van 2,4 miljard euro. Grote projecten die momenteel worden uitgevoerd of gepland zijn onder meer de vernieuwing van de E42 (Charleroi–Liège), de heraanleg van de ring rond Namen en de modernisering van het TEC-busnetwerk met prioriteit voor elektrische bussen en nieuwe stelplaatsen, goed voor 340 miljoen euro.

Het Brussels Gewest investeert fors in stedelijke mobiliteit en duurzame infrastructuur. De uitbreiding van metrolijn 3, die het noorden van de stad beter moet verbinden met het centrum, is een van de grootste Brusselse infrastructuurprojecten van de komende jaren. Deze werken zijn volop aan de gang, met een geraamde kost van 2,3 miljard euro. Daarnaast wordt de renovatie van tunnels, zoals de Belliardtunnel en Montgomerytunnel, stelselmatig aangepakt. Hiervoor is een budget van 500 miljoen euro voorzien tot 2030. Voor de heraanleg van grote stadsassen – onder meer de Gulden Vlieslaan, Wetstraat en Koningsstraat – in het kader van het Good Move-plan staat meer dan 250 miljoen euro geprogrammeerd. Brussel rolt intussen de rode loper uit voor fietsers, met 110 kilometer nieuwe fietspaden tegen 2030 en een investering van circa 150 miljoen euro.

Wat betreft de klimaatadaptatie van de waterlopen staat in Vlaanderen de verdere uitvoering van het Sigmaplan centraal. Hierbij worden in onder andere Bornem, Temse en de Durmevallei nieuwe gecontroleerde overstromingsgebieden en dijkverhogingen voorzien om de regio beter te beschermen tegen overstromingen. Voor deze werken is een geraamd resterend budget van 700 miljoen euro voorzien, deels via het EU-cohesiefonds. Parallel loopt ook de optimalisatie van het Albertkanaal, met verdere verdieping van de vaargeul en aanpassingen aan sluizen, waarvoor nog eens 100 miljoen euro wordt uitgetrokken.

In het kader van duurzame infrastructuur worden ook digitale en groene investeringen gepland. Zo voorziet de federale overheid, in samenwerking met de gewesten, in de uitrol van 30.000 extra publieke laadpunten voor elektrische voertuigen tegen 2030, goed voor een investering van 100 miljoen euro, waarvan 30 miljoen uit het federale RRF. Daarnaast wordt het ERTMS-systeem, een Europees veiligheidssysteem voor het spoor, stelselmatig verder uitgerold op het Belgische netwerk. Met deze invoering, verplicht tegen 2040, is een investering van 2,4 miljard euro gemoeid, waarvan 350 miljoen euro binnen de komende vijf jaar wordt besteed met steun van het CEF-programma van de EU.

Daarnaast investeert Vlaanderen ook sterk in het Havengebied van Zeebrugge en Gent, met onder meer de vernieuwing van de sluisinfrastructuur (zoals de Nieuwe Zeesluis in Zeebrugge, geraamd op 1 miljard euro). Ook de fiets- en wandelinfrastructuur krijgt meer aandacht via het programma Vlaamse Veilige Fietsroutes, met een geplande investering van 300 miljoen euro tussen 2023 en 2026.

De Waalse overheid zet sterk in op klimaatadaptieve infrastructuur, zoals de bouw van retentiebekkens en de versterking van rivierdijken, onder meer in de Vesder- en Ourthevallei, waarover in totaal 250 miljoen euro wordt voorzien in samenwerking met Europese fondsen.

Overheidsinvesteringen in hernieuwbare energie

België streeft ernaar om het aandeel hernieuwbare energie in het totale bruto vaste energieverbruik te verhogen van 13% in 2020 naar 17,5% tegen 2030. Die ambitie vertaalt zich in omvangrijke projecten en investeringen om de infrastructuur aan te passen.

Een van de speerpunten is de verdere uitbouw van offshore windenergie in de Noordzee. Ons land is al een belangrijke speler op dit vlak en de plannen voorzien in een aanzienlijke verhoging van de capaciteit. De ‘Prinses Elisabeth Zone’ voor de kust zal nieuwe windparken huisvesten die het totale offshore vermogen tegen 2030 moeten verdubbelen tot zo’n 4,5 GW en nadien verder uitbreiden richting 2040 en 2050. De investeringen hiervoor komen zowel van private ontwikkelaars van de windparken als van transmissienetbeheerder Elia. Elia investeert in de noodzakelijke netinfrastructuur op zee en op land om al deze groene stroom aan te sluiten en te transporteren. Dit omvat onder meer de uitbreiding van het Modular Offshore Grid en de aanleg van nieuwe hoogspanningsverbindingen naar het binnenland. De totale investeringen bedragen ongeveer 6 tot 7 miljard euro.

Ook de distributienetten, beheerd door regionale operatoren zoals Fluvius in Vlaanderen en ORES/Resa/Sibelga in Wallonië en Brussel, vereisen omvangrijke investeringen. Met de toenemende installatie van zonnepanelen en kleine windturbines bij gezinnen en bedrijven, moet het lokale net de decentraal opgewekte energie kunnen verwerken. Tegelijkertijd zorgt de groeiende elektrificatie voor een hogere vraag naar elektriciteit en een grotere belasting van het net. Vanaf 2025 worden significante investeringen gepland in de versterking en digitalisering (smart grids) van deze netten.

Daarnaast zet België in op de ontwikkeling van een waterstofeconomie, die cruciaal wordt geacht voor de verduurzaming van zware industrie en transport. Er zijn plannen voor de aanleg van een kernnetwerk voor waterstoftransport dat industriële centra en havens verbindt, en aansluiting zoekt bij toekomstige Europese waterstofbackbones. De eerste fase van dit netwerk, vaak aangeduid als de Belgian Hydrogen Backbone, vertegenwoordigt een investering die initieel in de honderden miljoenen euro’s wordt geschat, met potentiële uitbreidingen die dit bedrag doen oplopen naarmate de vraag en productie toenemen. Private bedrijven plannen eveneens aanzienlijke investeringen in waterstofprojecten, vaak met steun van de overheid via subsidies of investeringsprogramma’s zoals het federale en regionale deel van het RRP.

Naast wind, zon en waterstof, wordt intensief geïnvesteerd in energieopslag, zoals batterijsystemen op verschillende schaalniveaus (residentieel, commercieel, netgekoppeld) om de variabiliteit van zon- en windenergie op te vangen en de stabiliteit van het net te bewaren.

Aanbestedingen als strategisch instrument

In de bouwsector is de aanbestedingsfase een cruciaal startpunt voor elk bouwproject. Een succesvolle uitvoering begint bij een sterke tender, terwijl ervaringen uit eerdere projecten waardevolle input leveren voor nieuwe aanbestedingen. Door terug te blikken op projectresultaten — zoals de naleving van de planning, klanttevredenheid en efficiëntie — kunnen bouwbedrijven hun aanpak verbeteren en gerichter inschrijven op nieuwe aanbestedingen. Ook opdrachtgevers leren uit eerdere ervaringen: ze passen tenderprocedures aan om samenwerking te bevorderen of duurzaamheid beter te verankeren.

Tijdens een tender worden diverse elementen beoordeeld, zoals prijs, kwaliteit, duurzaamheid, planning en innovatie. Dit betekent dat bouwbedrijven niet alleen een scherpe prijsofferte moeten indienen, maar ook moeten aantonen hoe zij met risico’s omgaan, hoe zij de planning garanderen en hoe zij bijvoorbeeld circulair bouwen integreren.

In de uitdagende context van klimaatverandering, schaarste aan grondstoffen, verstedelijking en de nood aan betaalbare en duurzame huisvesting evolueren publieke en private aanbestedingen steeds meer van loutere inkooptransacties naar strategische instrumenten. De tenderfase dwingt bedrijven om het project al in een vroeg stadium grondig te analyseren en doordachte keuzes te maken. De manier waarop een tender is opgesteld, heeft een directe invloed op het verloop van het project zelf. Hoewel de laagste prijs en kostenefficiëntie belangrijk blijven, is er een verschuiving naar bredere gunningscriteria die parameters als duurzaamheid en innovatie belonen. Aanbesteders formuleren hun behoeften steeds vaker in termen van gewenste prestaties en functionaliteiten, eerder dan in strikt voorgeschreven technieken of materialen. Dit opent de deur voor bedrijven met innovatieve oplossingen. Criteria met betrekking tot circulariteit, CO2-uitstoot, energie-efficiëntie, waterbeheer en social return wegen dan zwaarder door in de evaluatie en bedrijven die hier aantoonbaar goed op scoren, kunnen op die manier hun meerprijs overstijgen.

De toegenomen aandacht voor duurzaamheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid vertaalt zich steeds vaker in expliciete ESG-criteria (Environment, Social, Governance) binnen aanbestedingen. Aannemers worden daarbij uitgedaagd om concreet aan te tonen hoe zij hun milieu-impact beperken, bijdragen aan sociale inclusie of verantwoord bestuur hanteren. Voor grotere spelers is dit doorgaans ingebed in hun interne rapportagesystemen en strategische visie, maar ook voor kleinere aannemers groeit de noodzaak om structureel met duurzaamheid aan de slag te gaan.

Om hun prestaties geloofwaardig te onderbouwen, maken aannemers steeds vaker gebruik van gestandaardiseerde tools zoals de CO₂-Prestatieladder, BREEAM-certificatie, EMAS, of milieuproductverklaringen (EPD’s). Deze tools helpen niet alleen bij het transparant rapporteren over duurzaamheid, maar worden ook expliciet erkend in evaluaties van aanbestedingen. Voor circulaire aspecten zijn er bijkomende hulpmiddelen zoals de Totem-tool van de Vlaamse overheid, die het milieuprofiel van bouwmaterialen kwantificeert.

Voor kmo’s vormen kosten, tijd en kennis vaak een barrière om formele certificatie te behalen. Toch ontstaan er steeds meer laagdrempelige trajecten en ondersteuningsprogramma’s — zoals subsidies voor certificeringskosten of begeleiding via sectororganisaties — om ook kleinere spelers te helpen een ESG-verhaal op te bouwen. Praktisch betekent dit dat ook een lokale aannemer zich kan profileren via meetbare acties: gebruik van gerecycleerde materialen, korte keten-leveranciers, sociale tewerkstelling, of duidelijke procedures rond werfveiligheid en afvalscheiding. De sleutel ligt in het aantoonbaar maken van prestaties met eenvoudige indicatoren en documentatie, eerder dan in dure labels.

Spelers in de publieke sector experimenteren vaker met procedures zoals het innovatiepartnerschap om innovatieve oplossingen te ontwikkelen die nog niet op de markt beschikbaar zijn. Programma’s zoals het Vlaamse PIO (Programma Innovatieve Overheidsopdrachten) ondersteunen overheden hierbij en creëren kansen voor bedrijven om mee te innoveren.

De intentie om aanbestedingen in te zetten voor maatschappelijke doelen is overduidelijk aanwezig maar dat gaat niet zonder groeipijnen. Het integreren van gedifferentieerde duurzaamheids- en innovatiecriteria maakt aanbestedingen complexer, zowel voor de aanbesteder, bij het opstellen van het bestek en de evaluatie, als voor de inschrijver, bij het opstellen van de offerte en het aantonen van prestaties. Niet alle aanbestedende diensten of private kopers beschikken vandaag over de nodige expertise om ambitieuze duurzaamheids- of innovatiecriteria correct af te wegen. Aanbesteders zijn bovendien ook terughoudend om nieuwe, onbewezen oplossingen te omarmen, waardoor ‘bewezen technologieën’ ondanks hun mindere duurzaamheid toch nog de voorkeur krijgen.

Voor bedrijven die willen slagen in dit nieuwe aanbestedingslandschap is passiviteit echter geen optie. Door te investeren in kennis en expertise op het gebied van duurzaam bouwen bijvoorbeeld en het proactief ontwikkelen van oplossingen die inspelen op de maatschappelijke uitdagingen. Door data te verzamelen en de duurzaamheidsprestaties van producten, diensten en processen te verzamelen en op de markt te verschijnen als een duurzame en innovatieve partner. En vooral door actief contact te maken met potentiële aanbesteders en deel te nemen aan marktconsultaties om expertise te delen en inzicht te krijgen in toekomstige projecten. Het e-Procurementplatform dat in 2023 werd gelanceerd nodigt bedrijven uit om hun capaciteiten in de verf te zetten.

Op hetzelfde ogenblik lanceerde FOD BOSA trouwens ook een actieplan om kleine ondernemingen beter te betrekken bij openbare aanbestedingen. Kmo’s kunnen voortaan het voordeel van hun wendbaarheid beter inzetten om sneller in te spelen op nieuwe, innovatieve technieken of gespecialiseerde duurzame oplossingen. De aanbestedingswetgeving moedigt percelering, of het opdelen van grote opdrachten in kleinere, thematisch of geografisch afgebakende delen, sterk aan. Kleinere ondernemingen kunnen zich daardoor gemakkelijker inschrijven op één of enkele percelen, in plaats van te moeten concurreren voor de volledige, vaak gigantische, opdracht. Voor opdrachten onder bepaalde drempels gelden bovendien vereenvoudigde administratieve regels. De wetgever aanvaardt nu ook dat de eisen die gesteld worden aan de financiële en technische bekwaamheid van inschrijvers proportioneel moet zijn aan de omvang en complexiteit van de specifieke opdracht. Dat betekent dat aanbesteders geen excessieve omzetcijfers of onrealistische referentieprojecten mogen eisen, die enkel door zeer grote bedrijven kunnen worden voorgelegd voor een relatief kleine opdracht.

En hoewel de verplichte digitalisering van de aanbestedingsprocedures initieel een uitdaging kan zijn, maakt het e-Procurementplatform de aanbestedingen transparanter en centraler vindbaar. Kmo’s zijn daardoor niet langer afhankelijk van lokale contacten of publicaties in minder toegankelijke kanalen.

Een rem op de groeiverwachtingen?

Ondanks deze uitdagende vooruitzichten, zijn er hindernissen die het herstel de komende jaren kunnen beïnvloeden. Een van de voornaamste pijnpunten is de hoge kostprijs voor bouwmaterialen en technische installaties. Hoewel sommige grondstofprijzen sinds hun piek in 2022 gedaald zijn, blijven installatietechnieken – zoals warmtepompen en ventilatiesystemen – duur. De geopolitieke onzekerheid, waaronder de instabiliteit in Oekraïne en het Midden-Oosten, houdt de internationale toeleveringsketens onder druk. Bovendien dreigen nieuwe importtarieven op staal, hout en zonnepanelen, wat de kostprijs van innovatieve of energiezuinige projecten nog verder kan opdrijven.

De rente blijft ondertussen ook relatief hoog, waardoor woonkredieten duur zijn. Voor particuliere bouwers of verbouwers kan dit een reden zijn om plannen uit te stellen. Tegelijk is er een gebrek aan duidelijke, betrouwbare informatie over de ‘beste’ bouw- of renovatieoplossingen, zeker met snel veranderende normen rond energieprestaties en circulariteit. Die onzekerheid leidt op zijn beurt tot uitstelgedrag. Veel aannemers krijgen daardoor minder opdrachten of zien klanten afhaken bij prijsherzieningen, terwijl hun eigen kosten blijven stijgen. De marge om hogere prijzen door te rekenen, krimpt.

Een ander structureel heet hangijzer is het trage en complexe vergunningsbeleid. Bouwheren en projectontwikkelaars klagen over lange verwerkingstijden, ingewikkelde beroepsprocedures en steeds striktere regelgeving, vooral op vlak van mobiliteit, energie en ruimtelijke ordening. In Vlaanderen kan het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor grotere projecten makkelijk 18 tot 24 maanden duren. Zo worden innovatieve wijkprojecten en collectieve woonvormen afgeremd, net nu ze maatschappelijk relevanter dan ooit zijn.

Tot slot zorgt ook het aanhoudende tekort aan technisch geschoold personeel ervoor dat bouwbedrijven moeite hebben om innovatieve projecten effectief uit te voeren.

Anticipeer op de markt

Schrijf je in voor strategische tenderalerts. Loop voor op de concurrentie.

Je zult het leuk vinden

Het laatste nieuws uit de sector

Mis nooit meer een kans en leer proactief invloed uitoefenen

Lees meer

Geen tijd te verliezen: verbeter jouw tenderflow in slechts 90 dagen!

Lees meer

Waarom wachten op de perfecte kans? Sla toe vóór je concurrent het ziet

Lees meer
Volgende

Het laatste nieuws uit de sector

Recente berichten

Name(Vereist)